De taal van het kleurpotlood 5/8

20 Oct 2014
toegevoegd door

Was alles vroeger beter? Echt niet! Neem nou bijvoorbeeld kleurpotloden en krijtjes. Wanneer je als kind 100 jaar geleden een kleurdoos kreeg, bijvoorbeeld van het merk Crayola, dan had je acht kleuren tot je beschikking: rood, bruin, oranje, geel, groen, blauw, paars en zwart. Dat was overzichtelijk, stel ik me voor: de lucht kleurde je blauw, een huis rood, en een banaan geel. Maar het was ook wel een beetje beperkt: als je een bos wilde tekenen, kregen alle stammen dezelfde kleur bruin, en gebruikte je die ene kleur groen voor al het bladerdek. Gelukkig duurde deze kleurarmoe niet lang. Crayola stapte al snel over op een doos met 16 kleuren, en zoals deze mooie infographic laat zien is de kleurenexplosie alleen maar toegenomen in de loop der jaren (met een gemiddelde verdubbeling van het aantal kleuren elke 28 jaar). Tegenwoordig krijg je als kind een doos met daarin 120 kleuren. Nu kan de jonge tekenaar de lucht in allerlei schakeringen weergeven (van “siniy” tot “goluboy”) en het bos komt tot leven met stammen en bladeren in allerlei tinten van bruin en groen.

Je vraagt je wel af hoe kinderen over al die kleuren praten. Stel je wilt een bepaald kleurpotlood lenen van je buurman in de klas, hoe vraag je daar dan om? “Die ene groene” is niet echt voldoende als er zo’n 15 varianten van groen in de desbetreffende kleurdoos liggen. En dat de ontwerpers deze kleuren namen hebben meegegeven als Rupsgroen, Asperge, en Bergweide, naast exotischere varianten als Electric Lime en Laser Lemon, zal ook niet helpen. Dat roept de vraagt op of kinderen tegenwoordig anders over kleuren praten dan 100 jaar geleden. Wie zal het zeggen?

 

Crayola

 

In mijn vorige blog keer schreef ik dat wanneer sprekers verwijzen naar een object, ze eerder geneigd zijn om de kleur van een object te benoemen (“de zwarte bal”) dan de grootte (“de kleine bal”), hoewel we ook gezien hebben dat sprekers niet altijd voorspelbaar zijn in hun keuze voor de ene eigenschap boven de andere. Sommige sprekers noemen zelfs de kleur van een object terwijl alle objecten dezelfde kleur hebben, en die kleur dus geen enkele onderscheidende waarde heeft. Waar komt die voorkeur voor kleuren vandaan?

Het ligt voor de hand dat wat we zien van invloed is op wat we zeggen. De kleur van een object is een van de eigenschappen die we het eerst waarnemen. Hoe dat zo gekomen is weten we niet precies. Het is wel een feit dat de manier waarop wij kleuren zien (“trichromatisch”) niet bij veel andere dieren voorkomt; alleen mensen en nauw aan ons verwante hogere primaten, zoals gorilla’s, chimpansees en bonobo’s, nemen kleuren op deze manier waar. Onderzoekers hebben beargumenteerd dat het herkennen van, bijvoorbeeld, rode besjes tussen groene bladeren een stuk makkelijker is met trichromatische kleurwaarneming, en dus een evolutionair voordeel gehad zou kunnen hebben (‘wie de besjes niet kon vinden verhongerde eerder’). Kleuren spelen dus een belangrijke rol in onze waarneming, maar dat verklaart nog niet waarom we er zo graag over praten.

Een suggestie die wel gedaan is, stelt dat kleur een “inherente” eigenschap van objecten is; je ziet immers meteen welke kleur een potlood heeft. Grootte, daarentegen, is een “relatieve” eigenschap – om te zien of een potlood klein of groot is, moet je eerst de andere potloden bekijken, en dat kost tijd. Als sprekers nu over een object willen praten, kunnen ze beginnen met maar vast de kleur te noemen, waarna ze eventueel nog andere eigenschappen kunnen toevoegen aan hun beschrijving, mocht dat nodig blijken te zijn. Dat kan ertoe leiden dat het noemen van de kleur bij nader inzien overbodig is (zoals ik eerder aanstipte), of een beschrijving oplevert die niet helemaal standaard is, omdat kleur voor grootte genoemd wordt (“de zwarte kleine bal”).

Diverse experimentele studies hebben bewijs gevonden voor deze suggestie, maar die lijden allemaal onder hetzelfde euvel: de experimentele stimuli lijken wel gekleurd met behulp van een Crayola kleurdoos uit 1903. Wat ik bedoel is: de objecten die proefpersonen moeten beschrijven worden getoond in een beperkt aantal, maximaal verschillende basiskleuren. Dat sprekers in deze experimenten kleur eerder noemen dan andere eigenschappen van objecten, zoals bijvoorbeeld grootte, zegt minder over het “inherente” karakter van kleureninformatie, en meer over hoe informatief die kleuren zijn in de visuele contexten waar proefpersonen in deze studies mee geconfronteerd worden.

Wat zou er gebeuren als we een modernere Crayola kleurendoos zouden gebruiken bij het maken van de stimuli, en verschillende tinten van dezelfde basiskleur zouden gebruiken, zoals licht en donker blauw? En wat als we het contrast tussen grote en kleine objecten nu eens veel groter zouden maken dan in eerdere experimenten? In beide gevallen, weten we nu, leidt dat ertoe dat sprekers minder geneigd zullen zijn om kleur (en meer geneigd om grootte) in hun beschrijvingen op te nemen. Met andere woorden: sprekers praten wel graag over kleuren, maar dat heeft minder te maken met de aparte status van kleur in cognitie dan we tot dusver gedacht hebben.

Tot slot wil ik terugkomen op een vraag die ik eerder opwierp, namelijk of kinderen die vroeger maar acht kleurpotloden in hun kleurdoos hadden anders over kleuren zouden praten dan kinderen met een megakleurdoos. Ik weet niet of een direct antwoord op die vraag mogelijk is, maar interessant genoeg verschillen talen onderling in het aantal basiskleuren dat ze in woorden uit kunnen drukken. Sommige talen hebben, als het ware, meer kleurpotloden in hun doos dan andere. Een goed voorbeeld is het Russisch. Waar het Nederlands maar één blauw kleurpotlood heeft (“blauw”), heeft het Russisch er twee (“siniy” en “goluboy”, respectievelijk voor donker- en lichtblauw). Uiteraard kan het Nederlands ook donker- en lichtblauw in woorden uitdrukken (zoals ik in de vorige zin al deed), maar het verschil met het Russisch is dat dit alleen kan door verschillende woorden te combineren, terwijl “siniy” en “goluboy” in het Russisch geen samengestelde woorden zijn. Interessant genoeg lijkt het hebben van twee basiswoorden voor blauw de waarneming van die kleuren te beïnvloeden. Sprekers van het Russisch kunnen namelijk sneller donker- van lichtblauwe objecten onderscheiden dan sprekers van het Engels (die net als het Nederlands slechts één basiswoord voor blauw kennen).

Maar ga je nu ook anders over kleuren praten als je meer of minder basiskleuren in je woordenschat hebt? Daar lijkt het wel op. Talen met meer basiswoorden voor kleuren delen het kleurenspectrum immers anders in dan talen met minder basiswoorden. Een logisch gevolg daarvan is dat de “prototypische” kleuren (wat een spreker van een taal, bijvoorbeeld, als “echt” blauw ziet) van taal tot taal subtiel kunnen verschillen. Wat voor de spreker van de ene taal een duidelijke, voor de hand liggende kleur is, kan een beetje een gemarkeerde kleur zijn in een andere taal (mits de talen verschillende basiskleuren onder woorden brengen). En in het tweede geval, zo suggereert recent onderzoek, zijn sprekers minder geneigd om de kleur van een object te noemen dan in het eerste geval. Met andere woorden: de beschikking hebben over een iets andere kleurendoos kan al van invloed zijn op hoe mensen over kleuren praten.

Overigens heeft onderzoek naar geavanceerde kleurentermen ook allerlei praktische toepassingen, zoals bijvoorbeeld voor de ontwikkeling van Twister voor Octopussen. Maar dat is weer een ander verhaal.

 

Dit was het vijfde deel in een serie die Emiel Krahmer voor deze blog verzorgt over zijn onderzoek naar menselijke en automatische taalproductie.

 

Reageer

Uw e-mailadres wordt niet getoond.