De eerste resultaten in een paradijselijk dal

24 Aug 2015
toegevoegd door

Vrijdag 21 augustus.
Vandaag zijn er spijkers met koppen geslagen. Het was wederom een prachtige dag met spiegelgladde zee toen de eerste zodiac aan land ging bij Kapp Lee, de punt van het eiland Edgeøya, waar in 1968-1969 de vier Nederlanders veertien maanden verbleven. In die eerste zodiac zaten nu de drie heren om daar, voor het eerst sinds twintig jaar, weer voet aan wal te zetten: Ko de Korte, Piet Oosterveld en Paul de Groot. Vergezeld van een cameraploeg van de NOS. “Heel bijzonder om hier weer te zijn”, zei De Groot, “maar ook wel emotioneel.”

De anderen gingen aan land voor verschillende wandelingen en onderzoeken. Sommige onderzoekers telden de zeehonden en verzamelden hun uitwerpselen. Anderen namen watermonsters. Er is een kwikmeter neergezet: een instrument dat een jaar lang gaat meten hoeveel kwik er in de lucht zit. Op het strand is sediment bemonsterd. Er waren wetenschappers die insecten, mijten en springstaarten verzamelden.

P1150707web

En in het schitterende Rosenbergdal keek een team van vegetatie-experts naar verschillen met 1977, toen hier uitgebreide opnamen zijn gedaan. “Schokkend”, aldus René van der Wal. “Het ziet er hier nu totaal anders uit dan in 1977.” Toen was dit een kale gruisvlakte – nu zie je dikke mospakketten, gras en allerlei bloeiende planten. Klimaatverandering? Dat vinden de heren te vroeg om te zeggen. “Het zegt in ieder geval dat het ecosysteem in de Arctis voortdurend in verandering is. De vegetatie ontwikkelt zich in een razend tempo.”

Al bij de landing had een oplettende gids heel in de verte een klein wit stipje ontwaard. Zou het een ijsbeer zijn? Het was te ver weg om te kunnen zien. Wellicht een dood rendier? Of toch een steen? Tijdens het uitladen van de zodiac werd een drietal mensen aangewezen om het stipje in de gaten te houden. Het zou ook een ijsbeer kunnen zijn. Dan was het wegwezen geblazen. Nee, het beweegt niet, zeiden sommigen. Het is een rendierkarkas. Sein veilig: iedereen kon aan de gang. Natuurlijk hielden we het stipje nu en dan nog in de gaten. Drie uur later bleek de ‘zak rendierbotten’ alsnog een beer te zijn. Tien punten voor Elise Biersma, die al die tijd had volgehouden dat het stipje echt had bewogen. Maar de beer toonde geen enkele aanstalten om onze kant op te komen. Hij drentelde wat, ging weer liggen. Op twee kilometer afstand was dat voor ons geen reden om te vertrekken.

Wat een ongelooflijk weer! Het kwik tikte de veertien graden aan – ongewoon warm voor de tijd van het jaar. Vijf tot tien zou normaal zijn. De zon scheen stralend en maakte een betoverend lichtspel van de ijsbergen in de spiegelgladde zee. Een gifgroen dal, zwarte kliffen, een meanderende rivier. Hier en daar een zeehond en zelfs een walrus op een ijsschots. Overvliegende dikbekzeekoeten, kleine rietganzen, een middelste jager. En steeds maar weer dat kleine ijsbeerstipje in de verte.

Reacties

Reageer

Uw e-mailadres wordt niet getoond.