Kwaliteit van de omgeving en Energie – ‘Een optimale relatie tussen mens en natuur als uitdaging voor de wetenschap’

21 Mar 2016
toegevoegd door
Kwaliteit van de omgeving - Rik Leemans

Prof. dr. Rik Leemans (WUR)

 

Een wereld met voldoende water, energie en voedsel voor iedereen. Met dit utopische doel voor ogen kwamen wetenschappers op 9 maart samen in de NWA-werkgroep over omgevingskwaliteit. ‘Hoe zorgen we ervoor dat mensen hun eigen leefomgeving kunnen gebruiken zonder die om zeep te helpen?’

‘Hoe kunnen we de aarde schoner maken?’ Met deze simpel geformuleerde, maar intussen zeer complexe en prangende vraag droeg scholier Fabian Houweling bij aan de Nationale Wetenschapsagenda. Bij de door NWO-WOTRO georganiseerde themasessie ‘Kwaliteit van de omgeving en energie’ was het precies zijn vraag die, hoewel impliciet, luid en duidelijk doorklonk in de gepassioneerde discussie. Milieuvervuiling, bevolkingsgroei en uitputting van natuurlijke hulpbronnen bedreigen immers de kwaliteit van de leefomgeving van miljoenen mensen op aarde. Volgens deelnemer Han Olff (ecoloog aan de Rijksuniversiteit Groningen) zouden wetenschappers zich moeten ontfermen over de vraag hoe de neerwaartse spiraal in een opwaartse spiraal kan worden omgedraaid.
‘In essentie gaat het om de vraag: hoe zorgen we ervoor dat met een groeiende wereldbevolking de koek niet steeds kleiner wordt en de verdeling steeds oneerlijker? En hoe zorgen we ervoor dat mensen hun eigen leefomgeving kunnen gebruiken zonder die om zeep te helpen? De spiraal omlaag houdt in: meer mensen, minder hulpbronnen, toenemende armoede, aangetaste leefomgeving en ecosysteemdiensten, daardoor nog minder hulpbronnen, daardoor nog grotere armoede, daardoor nog meer kinderen – et cetera. Een andere afslag die we kunnen nemen op deze weg is omhoog, waarbij wordt bevorderd dat mensen de waarde van ecosysteemdiensten gaan inzien en dat de kwaliteit van de omgeving dusdanig wordt beschermd dat iedereen ervan kan profiteren. Dit bestrijdt armoede, wat leidt tot een lagere bevolkingsgroei, wat leidt tot een toename van welvaart, wat leidt tot meer inzet en capaciteit om de natuurlijke leefomgeving beter te beschermen – kortom, de positieve spiraal, die precies de andere kant op gaat.’
Aan de workshop rondom dit thema doen meer dan twintig mensen mee, met name uit de wetenschap (de Universiteiten van Amsterdam, Utrecht, Wageningen, Groningen, Eindhoven en Delft zijn vertegenwoordigd), maar ook van ngo’s (Waste en Tree Supporter) en van organisaties als Deltares, Climate-KIC, MetaMeta en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Samen buigen ze zich enkele uren vol passie over de wetenschappelijke route die hoort bij de opwaartse spiraal. Prof. dr. Rik Leemans, hoogleraar milieusysteemanalyse in Wageningen en voorzitter van de sessie, inventariseert de oogst.


Hoe kijkt u terug op de sessie die u hebt voorgezeten?

‘Tevreden. Iedereen is aan het woord geweest en het was een rijke en uitgebreide discussie. Ons onderwerp – omgevingskwaliteit – is veelomvattend: het gaat om klimaat, bodem, lucht, water, biodiversiteit: de interactie tussen die componenten en de mensen die ervan leven en een gezond leven willen hebben.
Een belangrijke conclusie was dat innovatie niet alleen vanuit de technische hoek, maar juist ook uit de sociale wetenschappen moet komen. En dat integratie belangrijk is: we moeten diverse wetenschappelijke disciplines gaan integreren. Als “eco” bijvoorbeeld staat voor “huis”, bestuderen en begrijpen de ecologen het functioneren van het huis en economen de huishouding. Logischerwijs vullen deze disciplines elkaar aan, maar door hun verschillende benaderingen lukt dat vaak niet. Het is vaak moeilijk voor wetenschappers om buiten hun discipline te treden, maar het is wel heel belangrijk.
Wat ik ook boeiend vond, is de aandacht voor de heterogeniteit aan actoren en de noodzaak om samen te werken met brede groepen stakeholders: burgers, grote en kleine bedrijven, nationale overheden, internationale samenwerkingsverbanden, en verschillende ngo’s met hun specifieke doelen, ideologieën en ervaringen. Ook migratie en de verhouding tussen stad en platteland kwamen aan de orde. Al met al genoeg input voor een rijk en complex palet aan onderzoeksvraagstukken.’

Waar zag u in de workshop de beste verbinding tussen de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) en de Sustainable Development Goals (SDG’s)?
‘De tweede vraag van de Nationale Wetenschapsagenda kwam heel sterk naar voren uit deze discussie: wat betekenen mens en natuur voor elkaar en wat is de optimale relatie tussen beide? Hoe verhoudt natuur zich tot menselijke activiteiten? Zoals Julia Roberts in haar prachtige korte video voor Conservation International zegt: ‘De natuur heeft de mens niet nodig. De mens heeft de natuur nodig.’
We moeten onze verhouding tot de natuur bijstellen, de negatieve invloeden van onze activiteiten begrijpen en leren om de juiste keuzes te maken. Als je bijvoorbeeld meer voedsel wilt produceren, heb je meer land nodig, en kun je bos kappen. Als je bos kapt, gaat de biodiversiteit achteruit. De SDG’s beogen voedsel voor iedereen, maar ook het beschermen van de biodiversiteit. We moeten ons afvragen hoe we meer voedsel kunnen produceren, terwijl we juist minder land gebruiken, want dan kunnen we herbebossen. Dat betekent dat de productiviteit per eenheid land omhoog moet door middel van beter management of innovaties. Misschien op het gebied van kunstmest, misschien door genetische modificatie… En dan stuit je meteen weer op diverse potentiële problemen voor mens en milieu.
Dit soort vraagstukken hangt sterk samen met wat we NEXUS-denken noemen: hoe bereik je verschillende doelen op het gebied van voedsel, water, grond en energie tegelijkertijd? Hoe verbeteren we de kwaliteit van bodem, water en atmosfeer en produceren we tegelijkertijd voldoende en goed voedsel voor iedereen, is er voldoende water voor iedereen – zowel drinkwater als water dat men gebruikt voor het huishouden en voor de industrie – en ook nog voldoende energie?
Dit NEXUS-denken is bij VN-organisaties al mainstream, maar binnen de wetenschap nog relatief nieuw. Wij wetenschappers moeten een conceptueel raamwerk, een integratiekader, ontwikkelen van waaruit we een aantal case studies kunnen gaan opzetten en een aantal modellen ontwikkelen. Zo’n kader kan zeer uitgebreid zijn en moet ook aspecten als governance, legal pluralism en educatie omvatten.’

Wat was de meest verrassende of innovatieve aanpak die uit uw sessie is gekomen?
‘Dat is volgens mij citizen science: een manier om stakeholders te laten deelnemen in onderzoek. Als wetenschapper ben je op zoek naar het vinden van oplossingen, maar moet je het belang van de implementatie daarvan ook niet vergeten. Hoe betrek je de mensen die de oplossing moeten implementeren, zoals burgers, het bedrijfsleven en overheden, bij je onderzoek? Hoe bevraag je ze niet alleen, maar laat je ze liefst ook echt deelnemen in je onderzoek? Een specifieke vorm is het collectief verzamelen van data, zoals via de Fenolijn van het radioprogramma Vroege Vogels en de Natuurkalender. Wie heeft al fluitenkruid zien bloeien of de eerste zanglijster gehoord? De verzamelde data van het radioprogramma worden elke week naar ons in Wageningen gestuurd. Nederland heeft heel veel vrijwilligers, met name vogelaars, die aan onderzoek bijdragen. Maar ook in ontwikkelingslanden maken we gebruik van zulke vormen van samenwerking, bijvoorbeeld door samen met bewoners van plattelandsdorpen een onderzoeksopzet te bedenken en ze te laten helpen bij het verzamelen van gegevens over oogst, klimaat of vervuiling. Dat kan veel waardevolle data opleveren zonder dat de wetenschapper continu ter plekke hoeft te zijn.’

Welke expertise heeft de Nederlandse wetenschap op dit specifieke terrein te bieden?
‘Interdisciplinaire samenwerking. Daar zijn we in Nederland van oudsher goed in. Bovendien heeft een aantal universiteiten al heel duidelijk een slag gemaakt op het gebied van integraal onderzoek. In Wageningen, waar ik werk, hebben we geen faculteiten, dus de sociale wetenschappers zitten dicht bij de natuurwetenschappers. Ook de technische universiteiten werken al heel lang samen, zowel onderling als met bedrijven en NGO’s.’

Wat zou een ideale uitkomst van deze NWA-route kunnen zijn?
‘Dat het onderzoek leidt tot oplossingen die bijdragen aan een betere wereld, een gelijkere wereld met voldoende water, energie en voedsel.
Bovendien zou het mooi zijn als we tegelijkertijd de maatschappelijke acceptatie van de wetenschap bevorderen.’

Wat betekent de Nationale Wetenschapsagenda voor u persoonlijk?
‘Dat weet ik nog niet. Het hangt ervan af welke vragen centraal staan, hoeveel geld ervoor vrijkomt en hoeveel onderzoek we daarvan kunnen doen.’

Door: Sanne de Boer, Vice Versa

NWA-SDG-routeworkshop_pitch_omgeving

Reageer

Uw e-mailadres wordt niet getoond.